Tags: circus, circusdieren, foie gras, president Sarkozy, Unesco, vegetarische geschiedenis, wilde dieren

Dirk-Jan Verdonk

Wetenschapper en auteur van Het Dierloze Gerecht -over de vegetarische geschiedenis in Nederland- schrijft exclusief voor deVegetarier.

Een krachtige politiek kan enorme veranderingen teweeg brengen, zegt wetenschapper en deVegetariër-blogger Dirk-Jan Verdonk “Overheden zijn geen machteloze speelballen van de geschiedenis, maar kunnen ontwikkelingen in gang zetten, tegenhouden en bijbuigen.”

 

 

Cultureel erfgoed

Een paar maanden geleden kondigde president Sarkozy aan de Franse gastronomie op de werelderfgoedlijst van de UNESCO te willen laten plaatsen. Een idioot idee natuurlijk, maar bovendien een met een gevaarlijk kantje.

Want onderdeel van die gastronomie zijn allerlei praktijken die in het genre vallen van wat even ondiplomatiek als adequaat ‘dierenbeulerij’ kan worden genoemd. Meest bekend uiteraard: foie gras. Eerder al, in 2005, verklaarde het Franse parlement dat foie gras behoort tot het Franse cultureel erfgoed.

Dierenmishandeling gelegitimeerd door de zogenaamde waarde als cultureel erfgoed – het is een strategie die af en toe ook in Nederland de kop op steekt.

Zoals afgelopen zomer. Er verschenen toen twee rapporten, de een handelend over het welzijn van wilde dieren in het circus, de ander over intrinsieke waarde van dieren en ‘perfomance praktijken’. De gegevens uit het eerste rapport laten zien dat het welzijn van wilde dieren in het circus op allerlei manieren wordt aangetast, het tweede rapport concludeert dat het wenselijk is wilde dieren op een natuurlijker wijze te huisvesten in dan in rondreizende circussen.

Niettemin, minister Verburg van landbouw verklaarde dat zij het gebruik van wilde dieren in circussen niet wil verbieden – tot vreugde uiteraard van de circusbranche die, en daar gaat het nu om, (weer) rondbazuinde dat daarmee, inderdaad, cultureel erfgoed in ere wordt gehouden.

Nu is er al van alles gezegd en beweerd over wilde dieren in circussen, maar er is een dimensie die – bij mijn weten – nog niet is belicht. En die betreft dat idee van cultureel erfgoed.

Natuurlijk, je kunt heel goed ‘cultureel erfgoed’ verwerpen omdat het dieronvriendelijk is, net zoals je ‘cultureel erfgoed’ kunt verwerpen om reden van mensonvriendelijkheid – voorbeelden te over, denk bijvoorbeeld aan ‘het duel’.

Maar er is meer. De suggestie van het ‘cultureel erfgoed’ is dat het hier gaat om een praktijk met een lange, eerbiedwaardige traditie die nu opeens ongelukkigerwijze onder vuur is komen te liggen.

Die suggestie is vals. Want het gebruik van wilde dieren in circussen heeft vrijwel altijd al onder vuur gelegen. De ene periode wat heviger dan de andere, uiteraard, maar ter discussie heeft het steeds gestaan.

En in het interbellum zelfs op grote schaal.

Belangrijkste aanstichter daarvan was de wereldberoemd Amerikaanse schrijver Jack London. De wrede wijze waarop circusdieren een kunstjes leerden en de erbarmelijke condities waaronder zij waren gehuisvest en rondreisden, waren hem al een tijd een doorn in het oog, voor hij dit in 1915 onderwerp maakte van zijn verhalen Jerry of the Islands en Michael, Brother of Jerry. Om uit laatstgenoemd verhaal een fragment te citeren:

‘Toen begon men met het leeren van de eerste toer. Mulcachy sloeg hard op den stoel met de knoop van de zweep, om de aandacht van het dier te trekken en striemde toen met de zweep scherp over zijn neus. Op hetzelfde oogenblik duwde een assistent een ijzeren vork door de tralies achter hem in zijn ribben [...]. Weer werd er op den stoel geklopt, werd zijn neus gestriemd, werd er in zijn ribben gepord [...] Dit ging zoo door tot in het oneindige – een kwartier, een half uur, een uur; want de mensch-dieren hadden een geduld als goden, en hij was maar een jungle beest. Zoo krijgt men tijgers klein.’

Niet alleen wist hij met dergelijke beschrijvingen van wat zich achter de feestelijke façade van het circus afspeelde talloze lezers en lezeressen te beroeren, ook riep hij hen in het voorwoord expliciet op om telkens als zij getuige waren van een circusact met wilde dieren, de tent te verlaten en niet terug te keren voordat het nummer ten einde was. Bovendien pleitte hij ervoor dat iedereen lid zou worden van een dierenbeschermingsorganisatie die tegen circusdierenleed streed.

London stierf nog voor de verhalen in boekvorm verschenen en mocht het effect van deze woorden derhalve niet meer meemaken. Dat was er echter niet minder om. De voorzitster van de Massachusetts Society for the Prevention of Cruelty to Animals onderkende direct de potentie die Londons oproep had en richtte, samen met de American Humane Education Society, in 1918 de eerste Jack London Club op, een vereniging die zich specifiek tegen het gebruik van gedresseerde dieren in circussen en variétévoorstellingen keerde.

Binnen tien jaar telde de Jack London Club niet minder dan 750.000 leden – en wist zij, mede dankzij deze massale aanhang, ervoor te zorgen dat Amerika’s prominentste circus, Ringlin-Barnum and Bailey, stopte met dierenacts.

Ook in Nederland bleef dit niet onopgemerkt. Hier was het jonkvrouw E. des Tombe die de aanzet gaf tot oprichting, in 1922, van het Nederlandsch Jack London Verbond. En weliswaar waren de ledentallen daarvan bij lange na niet zo spectaculair als in de Verenigde Staten, een jaar na oprichting telde de organisatie toch al ruim 1200 volwassen leden en een kleine 500 kinderleden.

Het verbond probeerde op verschillende wijzen zijn doel te verwezenlijken. Brochures werden uitgegeven, de verhalen van London gepromoot en advertenties en ingezonden stukken in de lokale krant riepen op tot boycot als er een circus in de stad kwam. Daarin werden naast buitenlandse coryfeeën ook met graagte nationale beroemdheden geciteerd, zoals toneelspeler Louis Bouwmeester jr. die had verklaard: ’95 pCt. dierendressuur berust op de grootst mogelijke wreedheid.’

Tevens probeerde men bij gemeentelijke overheden te lobbyen voor het verbieden van circusvoorstellingen. Dát lukte niet, maar dankzij dergelijke geluiden werden controles wél geregeld aangescherpt.

De economische depressie van de jaren dertig en de daaropvolgende wereldoorlog haalden de schwung uit de beweging, ofschoon het Jack London Verbond nog decennia lang bleef bestaan.

Na de Tweede Wereldoorlog was het vooral de Dierenbescherming die meest prominente spreekbuis werd tegen het gebruik van wilde dieren in circussen. Inmiddels is daar een coalitie van dierenorganisaties bijgekomen, Wilde dieren de tent uit (www.wildedierendetentuit.nl ).

Wat leert ons dit? Bijvoorbeeld dit: dat je goed zou kunnen betogen dat het behoeden van wilde dieren voor gebruik in circussen net zo goed tot ‘cultureel erfgoed’ kan worden uitgeroepen als dit gebruik zelf.

En het in ere stellen van dierenbescherming als cultureel erfgoed brengt vervolgens met zich mee dat het rondzeulen met wilde dieren door circussen moet worden beëindigd. Ook de hoeders van de vaderlandse cultuur zouden dus tevreden moeten kunnen instemmen met een verbod. Laten we daarom het gebruik van wilde dieren in circussen bewaren niet als praktijk, maar als cultureel verleden - gestold in artefacten en tijdsdocumenten en tentoongesteld in een vitrine in het Nationaal Historisch Museum.

 

Dirk-Jan Verdonk op woensdag 4 november 2009 om 12:07


Geen reacties

Plaats een reactie
Naam (verplicht)
Email (verplicht, wordt nooit getoond)
Reactie
 
Tekens (verplicht, type de 6 weergegeven tekens in)
 

 

De Dikke en Dunne Vegetarier

De dikke vegetarier en de dunne vegetarier samen verkrijgbaar in de webshop

De dikke vegetariër en De dunne vegetariër.
Klik hier om naar de webshop te gaan.
 

Ook nog beschikbaar

Vegeterranean

Vegeterranean € 34,95.
Krijg nu via de Agis Vegapolis het aankoopbedrag terug.
Klik hier om naar de webshop te gaan.
 

©2012 deVegetariër.nl - Disclaimer - Uitschrijven nieuwsbrief ontwikkeld door Dream IT