| Tags: dieren, groen onderwijs, milieu, miljoenennota, natuur, nobelprijswinnaar, Norman Borlaug | Dirk-Jan Verdonk
Wetenschapper en auteur van Het Dierloze Gerecht -over de vegetarische geschiedenis in Nederland- schrijft exclusief voor deVegetarier.
Een krachtige politiek kan enorme veranderingen teweeg brengen, zegt wetenschapper en deVegetariër-blogger Dirk-Jan Verdonk “Overheden zijn geen machteloze speelballen van de geschiedenis, maar kunnen ontwikkelingen in gang zetten, tegenhouden en bijbuigen.”
Op 15 september presenteerde de regering de miljoenennota en daarmee ook de begroting van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselveiligheid voor volgend jaar. Voor ik daar op inga eerst een stukje geschiedenis. Een paar dagen eerder, op 12 september, overleed Norman Borlaug.
Norman wie?
Pijnlijke vraag, want Borlaug geldt als de man die de meeste mensenlevens heeft gered. Ooit. Sommigen beweren zelfs miljarden. Je zou dus verwachten dat Borlaug heel wat bekender is dan, ik noem maar wat, Pasteur, Churchill en Hansje Brinker bij elkaar.
Dat is hij niet, maar voor nu de vraag, hoe deed hij dat, al die mensenlevens redden?
Daarvoor moeten we terug naar de decennia na de Tweede wereldoorlog. De menselijke wereldbevolking zette toen een groeispurt in. Ze groeide van ruim 2,5 miljard in 1950, via ruim 3 miljard in 1960, naar bijna 3,7 miljard in 1970. In de periode voor de oorlog bedroeg de jaarlijkse wereldbevolkingsgroei zo’n 0,8 procent, in de jaren vijftig liep dat op tot 1,8 procent. Bijkomend probleem: de snelste groei was te zien in de armste werelddelen. En al die mensen moesten eten. Een kolossaal probleem.
Hier komt Borlaug om de hoek kijken. Borlaug was een wetenschapper die werkte aan het verbeteren van met name tarwe. Eerst in Mexico, vervolgens in India en Pakistaan. Hij ontpopte zich daarbij niet alleen als wetenschapper, maar vooral ook als een soort politicus die het gedaan wist te krijgen dat massaal werd overgeschakeld van traditionele, laagproductieve vormen van akkerbouw, naar hoogproductieve en grootschaliger vormen met genetisch betere zaden, gebruik van kunstmest en pesticiden.
De opbrengst steeg spectaculair en voorkwam, in elk geval aanvankelijk, grootschalige hongersnoden. Vandaar dus het idee van Borlaug de mensenredder die om die reden in 1970 de Nobelprijs voor de vrede kreeg.
Aan Borlaugs zegenrijke arbeid zit echter ook een schaduwzijde. Betere zaden, kunstmest en pesticiden kosten geld. Veel boeren hadden dat niet of moesten zich in de schulden steken. De productie kwam aldus steeds meer in handen van grote bedrijven en ten koste van lokale boeren die het niet meer konden bolwerken en massaal naar de stad trokken. Wie wel eens in Mumbai is geweest, kent het gezicht vanuit de lucht van de sloppenwijken die de heuvels rond het vliegveld overwoekeren. Er zijn mensen die deze tenminste deels óók aan Borlaug toerekenen.
Kunstmest, pesticiden en monoculturen brengen bovendien allerlei ecologische problemen met zich mee die op de lange termijn gevaren voor gezondheid en voedselproductie in zich herbergen. De zogeheten Groene Revolutie die Borlaug ontketende, was verre van groen maar steunde op aardolie en chemicaliën. Wetenschappers zijn het niet eens over óf en hóe de baten tegen de kosten opwegen, maar duidelijk is in elk geval dat Borlaugs werk op zijn best een mixed blessing is geweest. Per slot: veertig jaar na de Groene revolutie zijn er volgens de WHO 1 miljard mensen die kampen met honger en ontoereikende voeding. Dat zijn er, in absolute aantallen, meer dan vóór de Groene Revolutie. Bovendien bevinden de meesten daarvan zich in Azië, juist het werelddeel waar de Groene Revolutie zich voltrok.
Twee lessen kunnen uit de geschiedenis van Borlaug getrokken worden. Ten eerste dat krachtige landbouwpolitiek enorme en geweldige resultaten kan opleveren, ten tweede dat landbouwpolitiek niet alleen een kwestie is van genoeg en veilig voedsel produceren, maar ook een kwestie van sociaal-economische en ecologische dynamiek.
Dat brengt me bij de actualiteit van de begroting van LNV voor 2010. Wat behelst die?
Voor simpele burgers als u en ik heeft het ministerie een kleurige folder gemaakt, puntig getiteld Het beleid van LNV in 2010. Daar zal het dus wel instaan.
De folder bestaat in eerste instantie uit interviews met mensen die in de agribusiness studeren of werkzaam zijn. Dit wekt aanvankelijk de indruk dat het beleid van het ministerie zich vooral op journalistieke taken richt. Maar gelukkig, in de tweede helft van de brochure wordt aandacht besteed aan het beleid van LNV.
De mooie woorden die daarover worden uitgesproken kunnen niet verhullen dat dit beleid nogal mager is. Kort gezegd is LNV van mening dat de problemen moeten worden opgelost door consument en bedrijfsleven en met behulp van innovatie. Zelf hoeft het daarom eigenlijk niets te doen behalve hier en daar een voorlichtingscampagne te starten en geld te stoppen in onderwijs en wetenschap.
Dat laatste is niets nieuws onder de zon want zoals bekend wordt onderwijs en wetenschap in Nederland normaal gesproken gefinancierd door, inderdaad, het ministerie van onderwijs en wetenschappen, behalve het agrarische onderwijs en de agrarische wetenschap. Die worden betaald uit de pot van LNV. Het enige nieuwe is dat het agrarisch onderwijs tegenwoordig geen agrarisch onderwijs meer heet, maar ‘groen onderwijs’ en agrarische wetenschap ‘groene wetenschap’.
(Van hetzelfde laken een pak, ‘productie’ heet in LNV-termen tegenwoordig ‘ duurzame productie’ – ongeacht of die productie inderdaad duurzaam is of niet).
Nu lijkt er weinig tegen onderwijs en wetenschap, maar het grote probleem van LNV en het onderwijs en de wetenschap waarin zij elk jaar honderden miljoenen pompt is dat deze de agrarische structuur, ideologie en belangen volgen zoals die met name vanaf de jaren 1950 vorm hebben gekregen. De gevestigde partijen krijgen het geld, niet de ongevestigde partijen.
Dat betekent dat als er innovatie plaatsvindt, dat hoofdzakelijk gebeurt binnen bestaande systemen, patronen en opvattingen in plaats van dat alternatieve systemen, patronen en opvattingen worden ontwikkeld.
Dit valt het best te illustreren aan de hand van wat ‘dierlijke productie’ wordt genoemd. Oftewel het fokken, houden en doden van dieren voor vlees, zuivel en eieren.
Die productie vormt een probleem. Als we zo doorgaan groeit de wereldbevolking met drie miljard mensen tot 2050 en gaat een deel van die mensen meer dierlijke producten eten als gevolg van groeiende economische welvaart. Als we zo doorgaan moet de vleesproductie worden verdubbeld in 2050 ten opzichte van 2000.
Dat zou betekenen dat we in 2050 jaarlijks zo’n 120-140 miljard dieren moeten fokken, houden en doden. Een van de grote problemen daarvan is dat we al die 120-140 miljard dieren te eten moeten geven. Dat betekent dat we de productie van veevoer enorm moeten opschroeven. Daarvoor is heel veel meer landbouwgrond nodig en dat gaat weer ten koste van natuur en de in die natuur levende dieren.
Om enig idee te geven: de afgelopen twintig jaar hebben we wereldwijd een bos ter grootte van India vernietigd voor de veeteelt. Wereldwijd gebruiken mensen het meeste land voor voedselproductie en naar schatting 80% van dat land wordt gebruikt voor dierlijke productie. Zoals bekend een bijkomend probleem: ten gevolge van die massale productie en ontbossing levert de veehouderij wereldwijd een enorme bijdrage aan de broeikasgas emissie . Daarbovenop kost vlees- en zuivelproductie enorm veel zoet water.
Maar mensen moeten toch eten? Uiteraard, maar het is grosso modo veel efficiënter om plantaardig te eten dan dierlijk. Globaal gesproken is het ecologisch vijf keer voordeliger om een kilo volwaardig plantaardig eiwit te produceren dan een kilo volwaardig dierlijk eiwit.
Je zou dus verwachten dat de regering krachtig beleid zou voeren voor meer plantaardige en minder dierlijke voeding.
Niets daarvan. Die blijft vele honderden miljoenen steken in ‘dierlijke productie’. De verdubbeling van de vleesconsumptie vindt de regering, en ik citeer nu, ‘onvermijdelijk’. Ze kan er niks aan doen. Regeringen regeren immers tegenwoordig niet meer, maar zijn instituten die afwachten hoe de loop der dingen de wereld overspoelt – of op zijn minst: ze laten de markt het werk doen. En die is onverbiddelijk.
Bovendien wil de regering niet, en ik citeer weer, aan ‘de keuzevrijheid van de consument’ komen.
Het is een mooie manier om te zeggen: consumenten en bedrijven, zoek het zelf maar uit.
Deze opstelling is ergerlijk en schadelijk. Allereerst is het natuurlijk heel normaal dat regeringen de keuzevrijheid van consumenten en burgers inperken. Daarvoor hebben we juist een overheid. Als consument van de openbare weg mag ik niet kiezen of ik links of rechts ga rijden. Ik mag zelfs niet vrijelijk bepalen hoe ik het geld dat ik verdien besteed: een flink deel moet ik aan de overheid afdragen die daar dan dingen mee doet zoals het financieren van die openbare weg – of het maken van reclame voor het opeten van kippen of het drinken van melk. Of het houden van interviews voor beleidsbrochures.
Het is kortom het fundament van de maatschappij dat keuzevrijheid zekere begrenzingen kent. Een mooi liberaal principe daarbij is dat de keuzevrijheid daar ophoudt waar de onvrijheid van de ander begint.
En daarmee komt een interessant probleem in zicht. Want wie zijn die anderen? Betekent de keuzevrijheid voor een karbonade niet de onvrijheid van een varken dat zijn leventje moet slijten in een kaal hok om na zes maanden te worden vergast?
Moet de overheid zich kortom niet juist opwerpen om de belangen van dieren te verdedigen – juist ook omdat die dieren geen mondige burgers zijn die hun rechten kunnen opeisen?
Je kunt tegenwerpen: de overheid probeert dat al te doen. In dezelfde brochure van LNV staat te lezen hoe belangrijk de minister dierenwelzijn wel niet vindt en zich daarvoor inspant. Ik ben daarover nogal cynisch en denk dat het hier weinig meer dan lippendienst betreft. Dezelfde brochure geeft daar grond voor. De ambitie van de minister is namelijk dat in 2011 5% van de stallen ‘diervriendelijk’ zal zijn.
5%. Laat dit even inzinken. Sinds tenminste 1970 wordt de dierenwelzijnsproblematiek in de politiek aan de kaak gesteld. In veertig jaar tijd zijn we niet verder gekomen dan 5% van de stallen. Bovendien: in die 5% van de stallen wordt naar schatting slechts 1,5% van de dieren gehuisvest die we in Nederland jaarlijks slachten of exporteren. 1,5%. Na veertig jaar strijd voor meer dierenwelzijn. Dat zou betekenen dat als we in hetzelfde tempo doorgaan het nog ruim 2.500 jaar duurt voor we alle dieren ‘diervriendelijk’ huisvesten. Men stelle zich deze beleidsambitie van LNV voor: in het jaar 4510 moeten alle dieren in ‘diervriendelijke’ stallen worden gehuisvest.
Het lijkt veel zinniger veel meer energie te steken in vermindering van de vleesconsumptie. Dat is goed voor milieu, dat is goed voor de natuur. Dat is goed voor dieren. Het is bovendien ook goed voor mensen die veel meer dierlijke vetten consumeren dan goed voor hen is.
En om terug te komen op Norman Borlaug, zijn verhaal laat zien dat een krachtige politiek enorme veranderingen teweeg kan brengen. Overheden zijn geen machteloze speelballen van de geschiedenis, maar kunnen ontwikkelingen in gang zetten, tegenhouden en bijbuigen.
De schaduwkant van Borlaugs verhaal laat ook zien dat zulke politiek niet eenzijdig gericht moet zijn op bulkproductie voor mensen, maar ook rekening moet houden met andere factoren. Met sociale omstandigheden, met het milieu, met natuur, met dieren. Per slot hebben we met zijn allen, mensen en andere dieren, slechts één planeet ter beschikking waarop we het moeten zien te rooien.
Daadkracht en visie – vooralsnog is dat van de Nederlandse overheid veel te veel gevraagd. Want als LNV de mond vol heeft over ‘integraal beleid’ zegt dat even weinig als ‘groen onderwijs’ of ‘duurzame productie’. En dus zal LNV ook in 2010 doorgaan met het instandhouden van de bio-industrie. En doorgaan met het de wereld inzenden van kleurig geïllustreerde interviews om de lof te zingen over het groene, duurzame en integrale LNV-beleid.
| | Dirk-Jan Verdonk op zondag 20 september 2009 om 22:41 |
Meer blogs van Dirk-Jan Verdonk |
Goed stuk! Je hebt helemaal gelijk. Alles draait om de economie, als mensen zoals jou en mij het voor het zeggen hadden dan zag het er wel anders uit. De vleesindustrie is een groot conglomaat waarbij elke tegenstander geen gehoor krijgt. Opmerkingen zoals wij staan hoger in de voedselketen en dus hebben wij dit recht is natuurlijk van de hoogste absurditeit. Ik denk dat de basis bij de opvoeding en het onderwijs ligt, hoe eerder kinderen hierover onderricht krijgen des te minder vlees zal er geconsumeerd worden. Ik ben daarvan overtuigd. Nogmaals goed stuk, dachten meer mensen van de politiek er maar zo over.
Met vriendelijke groeten,
Sarenah Ruijter | |
|
De Dikke en Dunne Vegetarier
De dikke vegetariër en De dunne vegetariër.
Klik hier om naar de webshop te gaan.
Ook nog beschikbaar
Vegeterranean € 34,95.
Krijg nu via de Agis Vegapolis het aankoopbedrag terug.
Klik hier om naar de webshop te gaan.
|